Gouden Eeuw

De Gouden Eeuw, van 1588 tot 1702, staat in de Nederlandse geschiedenis bekend als de periode van voorspoed, welvaart, tolerantie en groei. De Republiek der Nederlanden speelde een voorname rol in de wereldpolitiek en behoorde tot de machtigste landen van Europa. Vooral door de nijverheid en de koloniale handel werd de Republiek een welvarend land.  Kunsten en wetenschappen maakten een ongekende bloeiperiode door. Nederlandse schepen verkenden de wereld en de zeemacht beleefde in deze periode haar hoogtijdagen.

Ontstaan van de Gouden Eeuw

Gouden EeuwIn de zestiende eeuw maakten de Nederlanden deel uit van het Spaanse Rijk. Filips de Tweede besloot met kracht het Protestantisme te bestrijden en de bestuursmacht zoveel mogelijk in Brussel te centraliseren. Dat leidde tot grote spanningen. Al jarenlang waren protestantse gelovigen vervolgd en belemmerd in het belijden van hun geloof. Zij mochten geen kerken bouwen en konden daardoor alleen in de buitenlucht samen komen. De rijkdom van de kerk was een doorn in het oog van de lutheranen en calvinisten en de verschillende frustraties kwamen in 1566 tot uiting in de Beeldenstorm. De veldslag bij Heiligerlee, twee jaar later, tussen Spaanse legers en de troepen van de Prins van Oranje werd het formele startpunt van een strijd die tachtig jaar zou duren. Bij de vrede van Munster (1648) erkenden de Spanjaarden formeel de onafhankelijkheid van de noordelijke Nederlanden.

Onafhankelijkheid

Deze nieuwe onafhankelijkheid had een enorme welvaart in de zeventiende eeuw tot gevolg. Nadat de Spanjaarden in 1585 de belangrijke haven Antwerpen veroverd hadden, vluchtte een deel van de kapitaalkrachtige bevolking naar elders. Vooral rijke Vlaamse en Portugees-Joodse koopmannen die naar Amsterdam gingen brachten meer dan hun kapitaal mee. Ze beschikten ook over kennis van en contacten met Europese handelshuizen en banken.  Dit veroorzaakte een nieuwe economische bloeiperiode.

Welvaart

Met de oprichting van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (1602) en de West-Indische Compagnie (1621) verschaften de noordelijke Nederlanden zich toegang tot de Aziatische, de Arabische, de Afrikaanse, de Caribische en de Amerikaanse markten. Specerijen, goud, ivoor, textiel, zijde, porselein en suiker vulden de Amsterdamse pakhuizen.  De verovering van een Spaanse zilvervloot door Piet Hein in 1628 leverde 12 miljoen gulden en een week feest bij thuiskomst op.

De meest omvattende en winstgevende handel in de Gouden Eeuw ging via de Oostzee in Noord-Europa. Het grootste gedeelte van het verhandelde graan kwam via die route het land binnen. Bij het uitbreken van hongersnood in Europa waren er genoeg voorraden in Amsterdam die dan tegen hoge prijzen van de hand gingen.

Kunst, cultuur en wetenschap Gouden Eeuw

Er werd geld besteed aan het bouwen van kostbare huizen, kunst en cultuur. De Nederlandse schilders zoals Rembrandt, Vermeer en Steen verkochten veel schilderijen die de elegante interieurs van de grachtenpanden en buitenverblijven van de rijken sierden. De vraag naar schilderijen was groot en niet alleen in de Republiek zelf. Hoe rijker de eigenaar hoe groter het aantal schilderijen en hoe meer grote meesters. Schilderijen waren big business maar ook beeldhouwers en meubelmakers deden goede zaken tijdens de Gouden Eeuw. Veel internationaal bekende wetenschappers trokken naar de Nederlandse Universiteiten, waarvan de Universiteit van Leiden de oudste is: het werd in 1575 aan de stad geschonken door Willem van Oranje.

Einde Gouden Eeuw

Vanaf ongeveer 1675 liep de economische groei in ons land langzaam terug. De Republiek werd in economisch en militair opzicht voorbijgestreefd door andere landen. Hevige concurrentie van opkomende machten zoals Frankrijk en Engeland, een overaanbod aan vrachtruimte en dalende prijzen veroorzaakten dat Nederlandse handelaren steeds meer naar de economische achtergrond werden gedwongen.  Hierdoor konden oorlogen die werden gevoerd niet meer worden betaald. Engeland werd heer en meester op zee. De Nederlandse rol in de internationale politiek raakte uitgespeeld en het vertrouwen in de toekomst nam af.  Toen in het ‘Rampjaar’ 1672 de Republiek in oorlog raakte met Frankrijk, Engeland, de bisschoppen van Munster en Keulen was dat de genadeklap voor de Nederlandse economie en daarmee het einde van de Gouden Eeuw.

Leave a Reply