Gevangenis van Veenhuizen

De Nederlandse economie was door de oorlogen van Napoleon geruïneerd. Rotterdam telde 800 bedelaars, in Leiden was de helft van de bevolking hulpbehoevend en in het Amsterdamse Aalmoezeniersweeshuis werden dat jaar 855 wezen en 240 verlaten kinderen gebracht. Dit kon zo niet langer. In deze blog het verhaal van het ontstaan van vrije koloniën en de onvrije kolonie in Veenhuizen; de geschiedenis van de gevangenis van Veenhuizen.

Vrije koloniën

In een poging de enorme armoede in Nederland te bestrijden bouwt Johannes van den Bosch in de buurt van Steenwijk de vrije koloniën Frederiksoord, Willemsoord en Wilhelminaoord. Het doel van Johannes van den Bosch was om de armen uit de steden naar het platteland brengen om daar de grond te ontginnen en het vak van boer te leren. Met tucht en discipline zou hij ze opvoeden tot zelfstandigheid zodat ze niet meer hoeven te bedelen. Arme gezinnen kregen een nieuwe basis van bestaan. Ze kregen er een kleine woning en er werd voorzien in werk, onderdak, onderwijs en zorg. Ze leefden er onder toezicht om vervolgens kansrijk terug te keren in de normale maatschappij. De in Frederiksoord, Wilhelminaoord en Willemsoord ondergebrachte gezinnen waren veelal uit vrije wil gekomen en konden de koloniën ook weer verlaten.

Maatschappij van weldadigheid

Frederiksoord kostte veel meer geld dan werd verwacht en de donaties van de rijken was niet voldoende. Dus richtte generaal Johannes van den Bosch in 1818 met toestemming van Koning Willem I, de Maatschappij van Weldadigheid op. Hij krijgt carte blanche om door middel van het aanbieden van werk, onderdak, scholing en zorg in nieuw op te richten landbouwkoloniën de stedelijke paupers perspectief op een beter bestaan te bieden. Er was echter een probleem: de arme mensen wilden helemaal niet weg uit de grote steden om te gaan wonen en werken in Drenthe.  In 1823 kampt de Maatschappij van Weldadigheid met financiële problemen.

Gevangenis van Veenhuizen

Met de overheid wordt een afspraak gemaakt en Johannes van den Bosch bouwt in Veenhuizen de grootste ‘onvrije kolonie’ (tegenwoordig de gevangenis van Veenhuizen). De regering ondersteund financieel de opvang. Er komen drie enorme gestichten: het Eerste Gesticht, het Tweede Gesticht en het Derde Gesticht. In elk gesticht was plek voor bedelaars, landlopers, arme gezinnen, vondelingen en wezen.  In ieder gesticht was plek voor ongeveer twee duizend mensen. De kinderen werden apart ondergebracht en gingen overdag naar school. Mannen en vrouwen werkten op het veen en konden zo hun eigen schamele kostje verdienen.

Problemen

De plannen waren mooi maar de mensen die naar Veenhuizen vertrokken hadden vaak al lang gezworven en waren ziek of verzwakt. Zij konden het zware werk op het veen niet aan en omdat er steeds nieuwe mensen naar Veenhuizen worden gestuurd, moet er steeds meer geld bij. De Maatschappij van Weldadigheid raakt steeds dieper in de schulden en gaat failliet. In 1859 neemt het Rijk Veenhuizen over. Vanaf 1875 valt Veenhuizen onder het ministerie van Justitie en wordt officieel een strafkolonie. Enige jaren later wordt de kolonie omgedoopt tot Rijkswerkinrichting. Vanaf dit moment komen hier alleen nog mensen die door de rechter zijn gestuurd. In 1900 worden er nieuwe gevangenissen gebouwd: Esserheem en Norgerhaven. Tot op de dag van vandaag zijn er vijf gevangenissen in gebruik, met tussen de 700 en de 1000 gevangenen. Naar schatting hebben 100.000 mensen zo’n heropvoeding ondergaan.

Bezoeken

Alle koloniën zijn te bezoeken. In 2007 is het Gevangen museum in Veenhuizen uitgeroepen tot beste historisch museum van Nederland. Het Gevangenismuseum trekt jaarlijks ruim 100.000 bezoekers.